Carel Jan, Riesz, geboren 14-10-1791 en gedoopt op 28-10-1791 te ’s-Hertogenbosch als zoon van Jan Frederik Riesz en Maria Catharina Wolfs. Overleden op 22-06-1856 te Frankfurt am Main.
Gehuwd op 22-04-1824 te Amsterdam met Catharina Rica Cranssen.
Opmerking: Volgens register Karel Jan Riesz geb.28-10-1791 ’s-Hertogenbosch z.v. Jan Frederik en Maria Katharina Wolff. Volgens Geref. DTB ’s-Hertogenbosch Carel Jan geb.14-10-1791 & ged.28-10-1791 z.v. Jan Frederik Riesz en Maria Catharina Wolfs. Volgens Overlijdensakte overl.22-6-1856 Frankfort am Main. (vader RMWO4 No 3174)
Hollandse Dienst
01-09-1806 Elevé Artillerie- en Genieschool
Franse Dienst
31-10-1810 Sous-Lieutenant Artillerie
21-09-1811 1e Lieutenant
21-04-1813 Kapitein Artillerie
18-09-1813 op retraite wegens bekomen wonden
Nederlandse Dienst
10-01-1814 provisioneel Kapitein 4e Bataljon Artillerie Landmilitie
14-03-1814 Kapitein-Adjudant titulair 4e Bataljon Artillerie Landmilitie
22-10-1814 1e Kapitein 5e Bataljon Artillerie van Linie Oost-Indisch Leger
15-10-1815 geëmbarkeerd Nieuwediep a/b Z.M. Fregat Maria Reigersbergen
29-10-1815 uitgevaren van de Reede van Texel
31-10-1816 gedebarkeerd Batavia
23-06-1817 Commandant Rijdende Artillerie
24-08-1818 Majoor Rijdende Artillerie & Trein Oost-Indisch Leger
20-06-1819 RMWO 4de klasse KB 20-06-1819 La W No 32
16-07-1819 Luitenant-Kolonel Artillerie GG 16-07-1819 No 9
08-12-1820 RMWO 3de klasse KB 08-12-1820 No 67
19-04-1822 2de Kolonel & Commandant 5e Regiment Artillerie
02-02-1823 derwaarts vertrokken a/b Schip Torina naar Europa tot herstel van gezondheid
28-06-1823 aangekomen te Hellevoetsluis
15-10-1824 op pensioen gesteld wegens bekomen wonden GG 15-10-1824 No 1
15-05-1829 Kolonel & Chef Algemene Staf Oost Indisch Leger KB 15-05-1829 No 152
18-08-1829 geëmbarkeerd te Hellevoetsluis a/b Schip Batavia
04-01-1830 gedebarkeerd Batavia
01-09-1831 overgeplaatst bij Groten Staf Gouverneur-Generaal
03-09-1831 Commandant Barrisan van Ali bassa Prawiro Dirdjo GG 03-09-1831 No 3
09-02-1832 Generaal-Majoor titulair KB 09-02-1832 No 80
15-08-1832 Inspecteur-Generaal der Schutterijen Pradjoerits en Dajang Sekars GG 15-08-1832 No 1
18-05-1833 Commissaris Gouvernement en Militaire Commandant voor Sumatra ’s Westkust GG 18-05-1833 No 1
14-01-1834 Waarnemend Resident Soerabaja, Grisee en Madura
27-01-1839 eervol ontslag als Waarnemend Resident GG 27-01-1839 No 5
11-04-1839 toegekend jaarlijks pensioen f 1000,- als Kolonel GG 11-04-1839 No 12
04-06-1839 derwaarts vertrokken a/b Schip Palembang naar Nederland
07-10-1839 aangekomen te Texel
12-03-1842 pensioen ingetrokken onder toekenning rang Generaal-Majoor titulair KB 12-03-1842 No 94
08-10-1842 Ridder Orde Nederlandse Leeuw KB 08-10-1842 No 17
26-04-1845 Onderscheidingsteken Langdurige Dienst als Officier Gesp XXV
04-04-1846 toegekend jaarlijks pensioen f 3000,- onder toekenning met rang Generaal-Majoor effectief KB 21-03-1846 No 82
12-05-1849 Commandeur Orde van de Eikenkroon
18-01-1852 RMWO 2de klasse KB 18-01-1852 No 29
(krijgs)verrichtingen.
1811 Op de Franse kusten
1812 Rusland. 6e Coalitieoorlog. Veldtocht in Rusland
Tegenwoordig geweest bij alle gevechten welke door het 2e Corps Armee geleverd zijn, vooral bij Polotzt en bij de passage van de Beresina.
In voormelden Veldtocht vier halve vingers van de linkerhand verloren en een schot door de linkerknie.
1813 Duitsland. 6e Coalitieoorlog. Slag bij Bautzen en Dresden
Bijgewoond de Bataille van Bautzen en Dresden. In de Bataille van Dresden op de 27 Augustus 1813 verwond door een geweerkogel in de linkerarm en een schampschot aan de heup.
1815 Zuid-Nederland. 7e Coalitieoorlog. Veldtocht in Frankrijk.
In Zuid Nederland en Frankrijk onder de orders van Z.K.H. Prins Frederik der Nederlanden.
Bij dagorder van Z.K.H. Prins Frederik der Nederlanden dd 15 augustus 1815 No 19 H.D.Z. tevredenheid ontvangen “wegens het gehoudene kloekmoedig gedrag en activiteit voor de Vestingen Quesnoij en Valenciennes.”
In zijn rapport aan de koning van 4 Januari 1816 stuurde de kanselier “een uitgebreid tableau’s gewijze gesteld Rapport, omtrent de verzoeken van onderscheidene Chefs en anderen, ten behoeve van personen, die zij vermenen dat op de Militaire Willems-Orde aanspraak zouden maken” met daarbij gevoegd een “Staat der Militairen door hunne Chefs voorgedragen ter bekoming van de Militaire Willems Orde” en onder volgnummer 192 werd de Kapitein C.J.Riesz van het Bataljon West-Indische Artillerie van Linie No 5 voorgedragen door de Lt.Kolonel Schmidt “wegens bijzondere ijver in den dienst betoond, het bijwonen van verscheidene zware Batailles en hunne bekwaamheden in alles wat het wapen der Artillerie betreft.”
Vermoedelijk werd de kapitein Riesz op grond van de door Prins Frederik der Nederlanden geuite tevredenheid voorgedragen door zijn commandant, maar die motivatie ontbrak in de voordracht. Met als gevolg dat de kanselier bij de aanvraag de navolgende opmerking plaatste: “Deze voordragt is anterieur aan 16 Junij geschiedt en er is geen reden nevensgenoemde Militairen tot het bekomen van de decoratie voor te dragen, daar zij in verdiensten met veele andere prijzenswaardige mannen gelijk staan, die het geluk niet hebben gehad in 't geval te zijn gesteld geweest bij de laatste gelegenheden uittemunten.”
Bij Besluit Zijne Majesteit van 20 Juni 1819 La W No 32 te benoemen tot Ridder der Militaire Willems Orde van de vierde klasse Riesz, majoor der artillerie in Oost-Indië.
In het register Ridders 2e klasse van de Kanselarij is de volgende voordracht genoteerd: “Uitstekende daden en verrigtingen. Voor zijn Kloekmoedig gedrag en activiteit voor de Vesting Quesnoij en Valencienes aam het Leger bekend gemaakt bij dag-order van Z.K.H.Frederik der Nederlanden dd 15 Aug-1815 No 19.”
1816 t/m 1823 in Nederlands Oost-Indië.
1819 Nederlands-Indië. Sumatra. 1e Expeditie naar Palembang
Bijgewoond de 1e expeditie tegen Palembang van 20 oktober tot 30 oktober 1819 onder bevel van de Schout bij Nacht Wolterbeek.
1819 Nederlands-Indië. Banka. Expeditie naar Banka.
Tegenwoordig geweest bij de expeditie tegen Banka.
Bij Missive van den Schout bij Nacht Wolterbeek, Opperbevelhebber der eerste Expeditie van Palembang d.d. 23 april 1820, “bedankt voor betoonde ijver, beleid en moed, welke door hem al weder opnieuw aan den dag is gelegd, in de aan hem opgedragene commissie tot het herstellen van de rust in de Oostelijke districten van het Eiland Banka.”
Bij missive van den toenmalige Genl Majoor de Kock, commandant der troepen d.d. 3 Juni 1820 No 47/6, namens Z.Exc.de Gouvr Generaal, tevredenheid betuigd, “wegens zijne verrigtingen in eene gedane expeditie naar Nibong en Kotta Waringie, ook op ’t Eiland Banka.”
Bij Besluit Zijne Majesteit van 8 December 1820 No 67 “wegens de, in den aanvang van dit Jaar op Banca en te Rio tegen de Boeginezen geleverde gevechten, en voorts ondersteunende het door den voorm: Gouverneur Generaal gedaan verzoek, tot het verleenen der decoratie van de Militaire Willems Orde aan die Genen welke bij deze gelegenheid hebben uitgemunt” tot Ridder van de Militaire Willemsorde, te benoemen van de derde Klasse de Lt Kolonel Riesz ridder van de 4e klasse.
In het register Ridders 2e klasse van de Kanselarij is de volgende voordracht genoteerd: “Bij missive van den Schout bij Nacht Wolterbeek, Opperbevelhebber der 1e Palembangsche Expeditie dd 23 Apr:1820, deszelfs dankbetuiging ontvangen, voor den opnieuw betoonden moed, ijver en beleid bij de herstelling der rust in de Oostelijke districten van Banca, waarover hem, na de mislukte expeditie tegen Palembang het bevel was opgedragen.
Op last van den G.G.is hem door den Kommandant van het Leger, bij brief van den 3 Juni 1820 No 10, tevredenheid betuigd, over zijne verrigtingen, bij eene gecombineerde Expeditie tegen Nibong en Kattawaringie (West-Kust van Banca).”
1821 Nederlands-Indië. Sumatra. 2e Expeditie naar Palembang.
Bij de tweede expeditie van Palembang zich aan het hoofd der attaquerende troepen gesteld om het versterkte Eiland Gombora stormenderhand te bemachtigen. Was het eerste door de embrasures doorgedrongen van de zich op dat eiland bevindende afgeslotene batterijen, die vervolgens werd vermeestering. Werd bij deze gelegenheid gevaarlijk gewond door een lanssteek in de rechterborst.
In de toelichting op de voordracht van Generaal Majoor DeKock gedateerd 10 September 1821 No 33 lezen we: “De nieuw opgemaakte staat verschilt eenlijk met die vroeger overgelegd voor zooveel de genoemde personen betreft in het na te melden.
De 2e Kolonel delaFpontaine, de Luit.Kolonel Arnould en de Kapitein Geij zijn door mij in de nieuwe staat niet gebragt, vermits dezelve reeds Ridders van de 3e klasse waren, en sedert door Uwe Excellentie tot hoogere rangen bevordert zijn. De Luit.Kolonel Riesz mede niet, hoewel die Hoofdofficier zich voorbeeldig heeft gedragen en gewond is geworden, dan reeds ridder van de 3e Klasse en jong Luitenant Kolonel zijnde, heb ik niet geweten welke voordragt voor hem te kunnen doen.”
In het Besluit van Zijne Majesteit van 22 mei 1822 No 29 “omtrent de officieren, onderofficieren en manschappen onzer Zee- en Landmagt, die zich bij de roemvolle expeditie tegen Palembang bijzonderlijk hebben onderscheiden” stond in artikel 8 vermeld “Wij behouden Ons voor, om eene nadere dispositie te nemen, omtrent de belooning welke, onder andere, aan den Kolonel D.A. de la Fontaine en den Luitenant-Kolonel C.J.Riesz, zoude behooren te worden verleend wegens hun uitstekend gedrag bij gemelde expeditie.”
Aan de bekrachtiging van het besluit van 7 Mei 1822 ging een uitgebreide discussie vooraf tussen de betrokken Departementen van Marine, Oorlog en Koloniën. Zij verschilden van mening met de beide kanseliers van de ridderorden over het aantal uit te reiken decoraties, maar vooral over het decoreren van reeds gedecoreerden die opnieuw hadden uitgeblonken. De suggestie om de Orde van de Nederlandse Leeuw te gebruiken werd afgewezen, waardoor het lastig werd om op jonge leeftijd benoemde Riesz op grond van nieuwe daden te belonen. De kanselier stelde voor, om net als bij een benoemde ridder 3e klasse, een ridderkruis in diamanten aan te bieden. De kanseliers stelden daarom voor “om den reeds met de Militaire Willems_Orde gedecoreerden en op nieuw zonderling uitgemunt hebbende Officier, zonder nogtans voegelijk uit dien hoofde tot eenen hoogeren graad dier Orde te kunnen worden voorgedragen, met het Kruis van de Klasse, waartoe hij behoort, in diamanten te verëeren, op welke distinctie alsdan, de Kolonel D.A.De La Fontaine, benevens de Lt.Kolonel C.J.Riesz, billijke aanspraak kunnen maken.” De Koning liet echter bij schrijven van de Secretaris van Staat van 7 Mei 1830 No 30 weten “zich geens zins met dat voorstel kunnende vereenigen.”
Bij missive van Z. Exc. den Gv.Genl d.d. 4 Februari 1823 bekend gemaakt met H.D.Z. bijzondere hoogachting “wegens zijne loffelijke diensten bewezen bij de tweede Palembangsche Expeditie”, strekkende tot geleide brief van Z.M. Kabinets besluit d.d. 7 September 1822 No 1, waarbij het Z.M. behaagd hem Hoog deszelfs tevredenheid te betuigen “wegens zijne loffelijk en uitstekend gedrag bij de expeditie tegen Palembang gehouden.”
Jaren later op 15 September 1851 diende Riesz een rekest aan de Koning in met het volgende verzoek “Allen heeft zich bevoordeeld gezien, met eene Ministerieële aanschrijving 14, hierbij (in origineel) overgelegd wordende, (waarvan bij hem geen afschrift bestaat) waarbij hem rekwestrant de teveredenheid en het genoegen Zijns Konings, wordt kennelijk gemaakt, wegens zijns loffelijk en uitstekend gedrag, bij de Expeditie tegen Palembang gehouden.”
Bij Besluit van Zijne Majesteit van 18 Januarij 1852 No 29 “op de adressen van den Gepensioneerden Generaal Majoor titulair C.J.Riesz, Ridder der 3e klasse van de Militaire Willemsorde, strekkende, om alsnog voor het door hem bij de 2e Expeditie tegen Palembang, in 1821, en wel bepaaldelijk, bij de vermeestering van het versterkte eiland Gombora gehouden gedrag, met eene hoogere klasse in gemelde orde beloond te worden” de Generaal Majoor titulair bij deze terzake voorschreven, alsnog te benoemen tot Kommandeur der Militaire Willemsorde.
In het rapport van de Kolonel Bisschoff van 24 Juni 1821 komt nopens het veroveren van de Batterij Gombora voor “De Lt.Kol Riesz, bij zich hebbende den Kapt George, den Luitenant Keijzer en eenige kanonniers, den Kapitein Elout, met een gedeelte zijner kompagnie en den Kapitein Geij, met het detachement artillerie, bereikte het eerste de batterij en beklommen die ieder op een different punt, zoo dat deze drie gedeelten niets van elkander als na de beklimming konden ontwaren. De Kapitein Elout trok links (naar den regter vleugel der batterij), terwijl de Kapitein Geij regts (naar de linker vleugel) zich wendde, om zoodoende den vijand, die geheel overrompeld scheen, te verdrijven, hetgeen ook in minder dan een half uur geschiedde, terwijl de overige troepen bij opvolging zich in de batterij schaarden.
Zoodra in de batterij alles opgeruimd was, liet ik den Kapitein Geij twee der kanons tegen de kleine en groote water batterij rigten, die ook door het vuur der schepen en eenige schoten van deze zijde spoedig verlaten werden.”
En nopens de personen die tot de verovering hebben bijgedragen o.a. “het is van mijn pligt UWEdG hieronder te noteren zoodanige officieren en manschappen, als ten dien opzigte de attentie van UWEdG niet kunnen of mogen ontglippen als De Lt.kol Riesz Art Kapitein Geij, etc.”
In het register Ridders 2e klasse van de Kanselarij is de volgende voordracht genoteerd: “Den 24 Juni 1821 zich in zijne Chaloup, waarin zich nog bevonden, den Majoor George, Adjudt van den Opper-Bevelhebber der Expeditie, de Adjudt der Art. Keijzer, den Lt der Marine Halewijn en acht gewapende Kanonniers als Roeijers, zich aan het hoofd heeft gesteld van de attaquerende landings-troepen, drong het eerste door de palen, die de nadering moesten beletten der op het Eiland opgeworpen Batterij, was hij het eerste aan Land, besteeg het eerste de met balken bekleede Batterij, kwam door eene der schietgaten het eerste op de borstwering en vandaar tusschen den vijand willende neder springen, ontving hij bij het afweren van andere stooten, eene Lanssteek in de regterzijde, waarna de verovering van deze hardnekkig verdedigde Batterij volgde.
Bij brief van den G.G. dd 4 Februari 1823 is hem toegezonden geworden, s’Konings Kabinet-Besluit van den 7 september 1822, waarin Z.M. hem Hoogstdeszelfs tevredenheid betuigd, over zijn gehouden loffelijk en uitstekend gedrag, bij de Expeditie tegen den Sultan van Palembang.”
1829 t/m 1846 in Nederlands Oost-Indië.
Bij Besluit van den G.G. van 3 September 1831 No 3, de betuiging van bijzondere tevredenheid ontvangen, voor de wijze waarop hij zijne betrekking, als Chef van den Algemene Staf vervuld heeft, toen hij die betrekking op verzoek heeft nedergelegd.
1832 t/m 1834 Nederlands-Indië. Sumatra. Krijgsverrichtingen op de Westkust van Sumatra.
Benoemd tot Commissaris voor het Gouvernement op Sumatra en tevens belast met het militair en civiel gezag aldaar.
Bij Koninklijk Besluit van 8 Oktober 1842 No 17 benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw de Generaal Majoor titulair C.J.Riesz, laatstelijk waarnemend Resident te Soerabaja. Dat deze Orde was toegekend voor zijn verdienste als bestuursambtenaar was enkele jaren later, toe hij in 1849 een rekest indiende om alsnog bevorderd te worden tot Commandeur van de Militaire Willemsorde, bij de autoriteiten niet helemaal duidelijk. De Minister van Koloniën rapporteerde daarover aan de Koning: “Zijne benoeming tot Ridder der Orde van den Nederlandschen Leeuw, bij besluit van den 8n October 1842, No 17, is minder regtstreekssch gevolg van die verrigtingen, maar dezelve kunnen echter niet geacht worden geheel vreemd aan te zijn; vermits de decoratie van die Orde, bij het rapport van het toenmalig hoofd van het Departement van Koloniën van den 24 September 1842, geheim, No 435, voor den rekestrant is gevraagd, als hebbende in onderscheidene betrekkingen goede diensten bewezen, echter zonder uitdrukkelijke vermelding van die diensten, en waartoe dus, uit den aard der zake, ook wel zou behooren te worden gebragt het voorbeeldig gedrag van den rekestrant bij Palembang in 1821.”
De aanleiding voor dit verzoek aan de Koning was de bevordering van de Vice-Admiraal A.W.de Man tot Commandeur in de Militaire Willems-Orde. Op 10 mei 1849 richtte Riesz zich met zijn verzoek tot de Koning “Hij verheugt zich het Uwe Majesteit heeft gelieven te behagen, verouderde diensten, in vroegere Jaren in Neerlandsch Indië bewezen, te beloonen; dit Sire! geeft hem eene gegronde hoop, dat ook zijne diensten, in vroegere jaren in Neerlandsch Overzeesche bezittingen bewezen, eene geëvenredigde belooning zullem mogen ontvangen, waarop hij rekestrant, met alle Eerbied gezegt, vermeent aanspraak te mogen maken.”
Onduidelijk is wat er met dit rekest is gebeurt, maar twee dagen later, op 12 Mei 1849, werd hij door de Koning benoemd tot Commandeur in de Luxemburgse Orde van de Eikenkroon.
In 1851 diende Riesz opnieuw een verzoek in om te worden bevorderd tot Commandeur in de Militaire Willemsorde dat in januari 1852 werd gehonoreerd.
Bijlage 1 Doop 28-10-1791 Gereformeerde DTB Grote Kerk ’s-Hertogenbosch folio 184
Bijlage 2 Opregte Haarlemsche Courant 14-07-1856 No 164 Overlijdensbericht